Zwemkampioen.

Vandaag zou het gebeuren. Ik had hier vanaf de dag dat ik actief werd op gewacht en nu stond ik daar met om mij heen mijn 100 miljoen broertjes en zusjes. Onze staartjes sloegen enthousiast heen en weer. Af en toe hoorde ik achter of onder me een woedende kreet, als ik dan omkeek, zag ik een van mijn familieleden kreunend van de pijn, moeite doen om niet naar de bodem te zinken. Ik wist dan dat ik er weer een flink geraakt had, niet met opzet natuurlijk. Ik was nou eenmaal enorm sterk. Ik had altijd voorop gezwommen, ik was een sprinter van sterk bloed. Nu stond ik ook vooraan, het wachten was nog op het startsein.

De eerste tekenen van een race waren het verlagen van de temperatuur, we voelden en hoorden de wind suizen langs het dak van ons verblijf. Als deze winden gevolgd werden door een verwarmend strelen over het dak, wisten we dat we in de rij konden voor onze rugnummers. Voelden we vervolgens een grote druk op ons dak komen, dan wisten we dat de bovenbuurman naar buiten gekomen was en op ons leunde.

Men vertelde altijd dat het een oude man was met rimpels, hij had van die hangwangen en over zijn oog was zoveel vel gedrapeerd dat wij onze vraagtekens plaatsten bij zijn zicht. Hij had ook maar een oog, en het was een enorm klein oog, een vijftiger zou zijn leesbril erbij moeten pakken om het te kunnen zien. Het waren bizarre verhalen en ik was vaak in twijfel wat ik wel en niet moest geloven. Voor mij voelde al deze verhalen wat overdreven aan. Ik noemde ze altijd de legendes van de eenogige, vijfkoppige, rastaharende of verzint er iemand iets spannenders bovenbuurman.

Wat me wel duidelijk was, was dat de man niet erg actief was, hoogstens een keer in de maand stak hij zijn hoofd buiten de deur. Hij kon niet zo goed tegen de koud bleek dan, want als hij buiten was wilde hij altijd zo snel mogelijk weer ergens naar binnen. Meestal maakte hij gebruik van de overbuurvrouw op de hoek. De overbuurvrouw was naar zeggen ook een apart figuur, misschien dat de twee het daarom zo goed konden vinden. Haar lichaam bestond uit twee haaks op elkaar staande delen, waar de twee elkaar raakte was een enorm oerwoud ontstaan, onder dat oerwoud zou zich een gezicht bevinden. Het bizarre aan haar gezicht zouden de vier in plaats van twee wangen zijn, twee grote gevolgd door twee kleine. Daarnaast zouden er twee ogen te vinden zijn, maar deze bevonden zich boven elkaar in plaats van naast elkaar.

Als de buurman naar buiten ging maakte hij graag een wandelingentje door het warme oerwoud van de overbuurvrouw, maar ik hoorde ook wel eens twee broeders roddelen over het feit dat de bovenbuurman andere buurvrouwen bezocht, de een zei nog wel tegen de ander dat als hij na een race toevallig een leuk vrouwtje ontmoette, hij hier niks over mocht zeggen tegen haar.

Ondertussen kon ik niet meer goed nadenken, zo’n lawaai hier en moest ik al het gepieker over die legendes laten voor wat het was. Het zullen de zenuwen zijn geweest, na al dat getrain was het grote moment dan eigenlijk daar, ik mocht een echte race gaan zwemmen. Het startsignaal zou zo komen, het geluid van buiten wordt steeds harder, de buurman en de buurvrouw hebben het zo te horen weer erg gezellig. De staart nog even rekken en strekken, en een rondje als opwarming. En ja hoor daar was het al, klaar voor de start KRIJS! Ik zwom, zwom, zwom, zwom, zwom, zwom de longen uit mijn lijf. Ik moest winnen. Ik zag het licht aan het einde van de tunnel komen, het was veel feller dan ik me had voorgesteld, maar toch was er iets in me dat maakte dat ik nog sneller kon, sneller dan ik ooit gezwommen had toen ik dat licht zag, de finish was dichtbij. Ik was er, ik voelde een gelukzalige overwinning, totdat ik de wind langs mijn oren hoorde suizen, met een rotgang knalde ik ergens tegenaan. In nog geen fractie van een seconde werd ik verpletterd door broers die later finishten. Ik keek om heen en probeerde vast te stellen waar ik was. Het was wit en voelde koud en glad. In de verte zag ik zowel links, rechts als voor me een grijze streep, gevolgd door weer een wit oppervlak. Ik dacht nog: “Wat heeft dit te betekenen, ik zou een vrouwtje vinden en we zouden samen gaan groeien.” Maar al gauw werd ik platgedrukt door iets donzigs lichtblauws wat op me af kwam. Aan de hemelpoort zei god tegen me: “Je bent een fantastische zwemmer, je had het zeker het mooie vrouwtje kunnen krijgen als de bovenbuurman niet voor het zingen de kerk uit was gegaan, je bent een machteloze spermacel met pech onderweg.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s