Meneer Angst.

Hij had etterende puisten en uit zijn neus kwam pus. Zijn oogballen puilden uit zijn oogkassen.

In zijn linkermondhoek krioelde het van de speekseldiertjes en aan zijn rechtermondhoek hing aangekoekt braaksel. Hij had één linkerarm en één rechterbeen. De voet die aan zijn rechterbeen hoorde hing met een verband doordrenkt van bloed aan zijn rechterbeen vast. Er was een platte knoop op gelegd, dat zag ik meteen, vroeger op de scouting was ik altijd erg goed geweest in het leggen van knopen. Ik zag ook dat deze platte knoop niet strak genoeg aangetrokken was, de voet bungelde zomaar wat aan het been. Ik geloof dat ik op dat moment nog prakeseerde over een andere knoop die passender was geweest voor het probleem wat voor me bungelde. Lang richtte mijn ogen zich niet naar de grond, er was meer. Zijn arm had een aparte vorm. Hij leek wel van elastiek. Aan het uiteinde van de arm, zat geen hand. Er bevond zich iets harigs. Het vormde een bruinzwarte haarbal. Uit de haarbal piepte flinterdunne maar ook flinterscherpe nageltjes te voorschijn. Ze deden me denken aan de nageltjes van onze kat, scherp, dun en lang.  Het was altijd een drama geweest als deze nageltjes te lang waren, dan moesten we ze knippen. Met twee man moest de donsvacht vastgehouden worden. Het was voor mijn moeder altijd een hele taak om iemand zo ver te krijgen haar te helpen. Als ze erom vroeg, pakte mijn broertje zijn glazenoog altijd uit zijn oogkas. Op een dag was onze kat er vandoor gegaan met het oog van mijn broertje toen moeder een nagelknipbeurt in probeerde te zetten, omdat ze kattenkrassen had ontdekt op het nieuwe bankstel. Mijn broertje kon toekijken hoe het beest zijn oog op vrat en om het nog pijnlijker te maken hoe zijn moeder het gruwelijke beest nog steeds iedere dag met dezelfde liefde als waarmee ze zijn glazenoog schoonmaakte, zijn brokjes gaf en hem eens lekker over zijn ruggetje aaide. Mijn andere broertje wees met zijn middelvinger naar de ontbrekende middelvinger aan zijn andere hand die maar vier vingers telde. Ook die keer was het fout gegaan toen de nagels van het beest geknipt moesten worden. Ik zal jullie de bloederige details en de verhalen van mijn oom zonder neus, buurvrouw zonder borst en vriend met hap uit zijn hoofd ook maar besparen. Je snapt dus wel dat ik mijn ogen niet lang liet rusten op de haarbal met nagels, dat was niet bepaald een stimulans voor de kalmte in mij die ik probeerde te koesteren. Ik wist niet zo goed waar ik moest kijken. Zijn hoofd was geen geruststellend plaatje, bovendien moest ik dan mijn neus oplichten en als ik dat deed drong het verschrikkelijke geurmengsel van bloed, braaksel en zweet mijn neus binnen.

Die geur had niet zo’n al te best effect op mijn algehele gesteldheid, voor zover er nog wat over was van mijn algehele gesteldheid in deze atmosferen. Als ik mijn ogen naar beneden richtte, zag ik vooral rood. In dit geval niet de kleur van rode rozen op kaartjes met aan de binnenkant zoetsappige teksten.  De kleur van bitter bloed. Die kleur deed me denken aan de zomerse dag waarop mijn vader tijdens het autorijden vergeten was dat autorijden ook al vind het ook plaats op de weg en binnen het verkeer, toch wat verschilt van fietsen. De man had in plaats van zijn richtingaanwijzers naar links te zetten toen hij op de drukke kruising links afwilde slaan, zijn hand uit het raampje gestoken. Er zoefde een Ferrari langs, de rode kleur van de blitse sportkar was zo uit mijn zicht. Het rood van bitter bloed kwam er gauw voor in de plaats. Ik zag niets meer door het ruitje. Toen ik uitstapte struikelde ik over mijn vaders arm en voel met mijn neus pardoes in een oase van nog meer rood,

weer niet het rood van een prins op wit paard. Om herinneringen te onderdrukken, besloot ik ook mijn ogen ook niet volledig naar de grond te moeten richten. Plaatste ik mijn ogen zo, dat de herinneringen weg bleven, dan zag ik nog net de puntjes van de flinterdunne nageltjes. Als die nagels nou geknipt waren, dacht ik nog. Ik richtte mijn hoofd nog eens op, mijn adem inhoudend zodat de geur niet binnen zou dringen, zoekend naar een plaatsje waar ik mijn ogen kon laten rusten.

Hij zou geen stap verroeren en ik ook niet, dat wist ik. Ik keek hem recht in zijn ogen aan.

Ik geloof dat ik nog nooit zo bang was geweest, hij stond voor me en van alle plaatsen waar ik naar kon kijken, had ik hem recht in zijn ogen aan gekeken. Ik voelde angst en afgunst, maar tegelijkertijd kromp het gevoel van heel hard willen wegrennen, wat ik al die momenten al bij me gedragen had, langzaam. Ik keek hem recht in zijn ogen aan. Geen plooi kwam er in mijn gezicht. Ik heb al die tijd niet met mijn ogen geknipperd. Mijn wenkbrauwen zijn stijf op zijn plaats gebleven. Langzaam begon ik mezelf te ontspannen, wat kon dit monster mij nou maken, hoe hij daar zat met maar een arm, voor zover je het een arm kon noemen en maar een been, voor zover je het een been kon noemen. Ik was hier diegene die hem in zijn macht had met mijn ogen. Ik had geen idee waar dat zelfverzekerde en sterke gevoel opeens vandaan kwam, maar toen het er was, durfde ik mijn blik weer van zijn ogen af te richten en zag ik een man met twee armen, twee benen, twee voeten, twee handen, tien vingers, tien tenen en een egale huid. Mijn angst hoefde ik alleen maar recht in de ogen aan te kijken en hij smolt als sneeuw voor de zon.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s